Home             Bonsai              Kruiden              Poëzie              Opmerkingen              Mijn glasramen

Vormgeving van planten

Vormgeving van planten.

 

De piramide en de kegel.

 


Deze twee namen van snoeivormen worden dikwijls door mekaar gebruikt en kunnen aanleiding geven tot verwarring. Gezien hun verwantheid verwekt dit geen verwondering.

 

 

 

De piramide.

 

De piramide heeft driehoekige zijvlakken en een veelhoek als grondvlak. Deze vorm leunt op het eerste gezicht het dichtst aan bij de normale groeiwijze van een plant doch de plant groeit uit tot een afgerond geheel.

 

 

 

De kegel

 

De kegel daarentegen is een omwentelingslichaam met een ronde schijf als grondvlak. Hij geeft het groeistreven weer van de plant doch ontkent de takinplanting.

In de praktijk wordt het dus zeer moeilijk één van deze vormen te verwezenlijken met een boompje, behalve dan bij een zeer goed vertakkende plant met kleine blaadjes en een fijne structuur zoals bijvoorbeeld Buxus (palmboompje).

Beide vormen zullen in de praktijk meestal in elkaar overvloeien met de daarbij gepaard gaande naamsverwarring. Het snoeien op de perfecte vorm is misschien mogelijk doch deze vorm wordt door de groei direct verstoord.

Omdat we over het algemeen vertrekken van een stek zullen we door knijpen en snoeien de boom vorm moeten geven.

 

De structuur van de piramide en de kegel.

 

Elke piramide- en kegelvormige boom bezit:

 

 

a.

 

b.

 

c.

 

a) een centrale spil;

b) radiale takken;

c) een mantel bestaande uit fijne vertakking.

 

Het opbouwen van piramide en de kegel.

 

We zullen beginnen met de vorming van de spil, dan de radialen, daarna de mantel, zonder ooit het eindresultaat uit het oog te verliezen.

We moeten dus altijd een stap voor zijn:

-bij het vormen van de spil denken we aan de radialen;

- bij de vorming van de radialen verliezen we de gewenste vorm van de mantel niet uit het oog, rond als kegel of afgeplat als piramide.

 

a) Het vormen van de spil en de radiale takken.

 

Vermits de bladzetting een aanduiding geeft over de verdere ontwikkeling van de plant zullen we in de eerste plaats een soort kiezen die volgens de bladzettng vermoedelijk kan uitgroeien tot een mooie vorm.


Soorten met 4 of 3 bladen per rozet zijn natuurlijk veel interessanter dan variëteiten met slechts 2 bladen per knoop. Zij zijn gemakkelijker te vormen omdat zij meer en gespreider hun radiale takken vormen. We moeten echter geen waarzegger zijn om te voorzien waar tot welke vorm de plant aanleiding zal geven. De stand van de bladeren geeft de vermoedelijke vorm aan van het grondvlak.  Voor een rond grondvlak voor een kegel of zuil zullen we een zeer drukke bezetting moeten kiezen of/en  een zeer fijne vertakking.

 

 

3 of 4 bladeren per rozet zijn een minimum.

 

Gewoon tegenstandige bladeren zijn onbruikbaar

 

Omdat we zowel een stam als zijtakken nodig hebben zullen we in eerste instantie onze stek of zaailing gewoon laten groeien. Om deze groei te stimuleren geven we één lichte bladbemesting met een hoge stikstofwaarde ( het eerste getal van de drie is het grootste in N-P-K,  bv. een  30-10-10). Deze bemesting heeft een uitdrogende werking op de bladeren. Zo zullen we zien dat de “zweetdruppels” die tijdens de nacht aan de bladeren gevormd worden niet meer te voorschijn komen. Wanneer de toestand zeer snel normaliseert kunnen we een tweede zeer lichte bladbemesting geven.

Door deze bemesting zullen we sneller een hoge stam krijgen. De radialen dreigen echter schraal uit te vallen doordat de internodiën ( de takdelen tussen de bladrozetten) langer uitgroeien dan normaal. Wanneer we echter na 4 tot 5 internodiën de top uitnijpen zullen de okselscheuten harder beginnen groeien. Van de stevigste bovenste okselscheut vormen we een nieuwe top op de spil. De andere laten we in hun radiale vorm.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

op 3 toprozetten

terugsnoeien

1. Toppen om de radiale groei te stimuleren.

 

We mogen niet uit het oog verliezen dat we een stevige spil willen vormen. Daarom zullen we de stam eerst ver genoeg laten uitgroeien alvorens hem ten minste drie bladrozetten terug te snoeien.

 

 

2. Een tweede maal toppen kan nodig zijn.

 

Een drietal weken na deze ingreep zal de nieuwe top voldoende ontwikkeld zijn om een tweede maal bladbemesting toe te dienen.

Over het algemeen is het best de boom een tweede maal te toppen alvorens we bij een derde, definitief toppen, de groei een halt toeroepen.

Op dat ogenblik toppen we minder ver terug. De definitieve top is immers een stuk van de mantel en moet dus fijner vertakt zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

Het vormen van de mantel.

 

3. De mantel bestaat uit fijn vertakte nieuwgroei

 

Zoals gezegd moeten we reeds in de eerste fase oog hebben voor de mantel.


De onderste takken zijn al snel voldoende uitgegroeid in de breedte zodat we alras moeten beginnen terug te nijpen om een mooiere, fijnere vertakking te bekomen. Indien we te lang wachten krijgen we gaten in de mantel en onze betrachting is precies dat hij goed gesloten is.

Week na week vorderen we naar de top, waarbij we uiteindelijk een derde keer de top wegnemen, dit keer definitief.

Indien alles perfect verloopt zullen we dus juist klaar zijn met de ruwe vormgeving van de mantel wanneer de boom hoog genoeg is om getopt te worden. Een hoge boom vangt veel wind. Daarom is overdrijven uit den boze.

 

De terugslag van het nijpen op de bloei van Fuchsia’s.

 

Het is belangrijk te weten dat voor elke Fuchsiasoort tijdens het normale bloeiseizoen er een welbepaalde tijd verloopt tussen het wegnijpen van de toppen van de takken en de vorming van bloemknoppen en uiteraard bloemen. Dit is zeker van belang indien we er naar streven op een bepaald tijdstip en gedurende een bepaalde periode bloemen te krijgen. Knijpen we te laat, dan zal de plant niet op het beoogde moment bloeien. Hebben we schrik en stoppen we te vroeg dan zal onze Fuchsia grotendeels uitgebloeid zijn lang vòòr we hem in groot ornaat willen zien.

Over het algemeen kunnen we stellen dat hoe groter en hoe langer de bloem is, hoe langer het duurt vooraleer ze bloeirijp is.

Om een referentiekader te scheppen kan je steeds teruggrijpen naar de volgende voorbeelden:

 

Radings Inge                  5          weken

Fuchsia parva                5          weken

Dorothea Flower            6          weken

Abbé Farges                  6          weken

Mrs Rundle                    7          weken

Mrs Lovell Swisher        7          weken

La Campanella                8          weken

Tom Thumb                  8          weken

Marinka             8          weken

Bon Accord                   9          weken

Fuchsia Boliviana            9          weken

Quasar                          10         weken  

Thalia                            10         weken.

 

De weersomstandigheden en de voeding kunnen deze termijn verlengen of verkorten. Het vergt wel enige ervaring om de juiste timing te kunnen hanteren.

De laatste veertien dagen voor de verwachtte bloei dienen we enkel zuiver regenwater toe.

Hoe groter de bloemen zijn hoe minder talrijk we ze mogen verwachten.

Verwijderen van de zaadbessen van de uitgebloeide bloemen spaart de krachten van de plant die voor de bloei kunnen worden aangewend. Bovendien vormen afgevallen bloemen een groot risico voor besmetting met botritis, de zwarte schimmelziekte.

 

De voedselvoorziening tijdens de ontwikkeling.

 

In de perioden tussen de bladbemesting geven we meststof 10-10-10.

Bij elk toppen verpotten we de plant naar een maat groter zodat zij een nieuwe groeistoot krijgt en vooral om haar een grotere waterreserve te verschaffen.

Wanneer we vinden dat de boom genoeg volume heeft, geven we om de week afwisselend 15-45-25 en 10-10-10 om de knopvorming en vertakking te bevorderen.. De internodiën worden verkort door het snellere vormen van okselscheuten, zodat de boom voller wordt. Tegelijkertijd worden ook bloemknoppen aangemaakt.

Nu geven we om de 14 dagen zuiver water, waardoor de plant wordt uitgevast en de bloemen sneller openen. Zoals voor alle levende wezens geld ook hier het advies: ofwel groeien ofwel bloeien. Alleen planten die voldoende reserves hebben opgeslagen tijdens het groeiseizoen bloeien ook overmatig.

Na de eerste bloei geven we terug 10-10-10 en kunnen we eventueel een vijfde of zesde keer verpotten. Daardoor krijgen we een korte nieuwgroei en een rijkere tweede bloei.

Na de tweede bloei beginnen we meer potas (K) te geven: 15-10-40 om de reserves te verhogen tegen de winter en om groeizame stekken te vormen.

Met dit systeem vormen we met een najaarsstek van Fuchsia gemakkelijk een prachtige piramide van anderhalve meter hoog en één meter diameter tegen het einde van de zomer.

We kunnen nog van de overvloedige nabloei genieten tot einde oktober.

De nagroei van september overwinteren we best in een verwarmde serre of vorstvrije veranda omdat de verhouting niet ver  genoeg is.

 

Callebaut Eric.

1